Procedure Cervicaal DRG PRF-behandeling

Het aanprikpunt wordt op dezelfde manier bepaald als voor de diagnostische blokkades, door een metaal latje te projecteren over het caudale en posterieure deel van het foramen. De canula (22G SMK Pole naald 54mm met 4mm actieve tip) wordt parallel met de X-stralen ingebracht en indien nodig wordt de richting gecorigeerd terwijl de canula zich nog in de bovenste subcutane lagen bevindt. De goede positie wordt bereikt wanneer de canula als een punt op het scherm geprojecteerd wordt. Dit punt moet recht boven het dorsale deel van het intervertebrale foramen liggen. Dit is de overgang tussen het middelste en het meest caudale derde deel. Deze positie wordt gekozen om mogelijke schade aan de vertebrale arterie, die anterieur aan het vertebrale foramen loopt, te vermijden. De richting van de X-stralen wordt dan gewijzigd naar de antero-posterieure stand en de canula wordt verder opgeschoven tot de tip over the midden van de facet kolom geprojecteerd wordt. (Figuur 1a)

cervdrgapFiguur 1a: Cervicale DRG procedure: naald in het midden van de facetkolom in AP-aanzicht.

cervdrgc6

Figuur 1b: Cervicale RF ganglion spinale C6 (DRG) oblique opname, naaldpunt
in het posterieure coudale quadrant.

 

De stylet wordt dan vervangen door een radiofrequentie probe. De impedantie wordt gecontroleerd om na te gaan of een gesloten elektrisch circuit gemaakt wordt. Daarna wordt de stimulatie gestart bij 50 Hz om de sensoriële stimulatie drempel te bepalen. De patiënt moet een tinteling voelen bij < 0,5V. Dit geeft aan dat er een kleine variatie is op de afstand tot het DRG.

Gepulseerde radiofrequentiebehandeling

De radiofrequente stroom wordt in stootjes afgeleverd bij 45V, deze output kan eventueel aangepast worden indien de temperatuur boven de 42°C stijgt. De 42°C is de maximum temperatuur maar niet de obligaat te bereiken temperatuur. De gepulseerde stroom wordt gedurende 120 sec afgeleverd.

Complicaties

Complicaties zijn zeldzaam. Men dient er altijd op bedacht te zijn, dat als de naald te ver in het foramen terecht komt (met name aan de anterieure zijde) er een risico is, dat de arteria vertebralis gepuncteerd wordt. Ter voorkoming van injectie van het lokaal anestheticum in de intrathecale ruimte dient altijd verificatie van de naaldpunt in AP-doorlichting te gebeuren. Bewaking met saturatie meting en aanwezigheid van resuscitatiemiddelen is noodzakelijk. Infecties zijn beschreven, maar de incidentie is niet bekend en waarschijnlijk erg laag. Regelmatig (>30%) wordt postoperatief enige brandende pijn aangegeven. Deze napijn verdwijnt na 1 tot 3 weken.