Procedure Cervicale Facetblokkade

Hieronder wordt de postero-laterale benadering in rugligging beschreven. (Figuur 1) Het voordeel van deze techniek is, dat oogcontact met de patiënt mogelijk is. Sedatie is dan ook zelden nodig.

trompert4

Figuur 1. Postero-laterale benadering van de mediale tak van de cervicale ramus dorsalis.

 

De patiënt wordt in rugligging gepositioneerd met het hoofd op een klein kussen, licht geëxtendeerd. De C-arm wordt gepositioneerd in een oblique positie (+/- 30 graden). In deze positie loopt de stralenbundel parallel met de uittredende zenuwwortel die enigzins caudo-frontaal verloopt. In deze stand worden de pedicles van de contralaterale zijde anterior van de helft van het wervellichaam geprojecteerd. In het frontale vlak (AP richting) wordt de C-arm in een kleine hoek ten opzichte van het transversale vlak gepositioneerd. Hierdoor worden de intervertebrale discusruimte en de neuroforamina zichtbaar. (Figuur 2 a +b) De mediale tak (medial branch) loopt over de basis van de processus articularis superior.

 

figI2-5

Figuur 2a: RF Rami dorsalis/ facet C4, C5, C6 links : AP-opname.

figI2-6

Figuur 2b: RF Rami dorsalis/ facet C4, C5, C6 links: oblique opname.

 

Indien geen botcontact optreedt in posterieure richting bestaat het risico, dat de naald tussen de laminae in het spinale kanaal komt: om dit te voorkomen kan vanuit de AP richting de naaldpostie gecontroleerd worden.

De uiteindelijke positie van de naald in AP richting is in de concave zijde ("waist") van de facetkolom.Na het plaatsen van de eerste naald worden de andere naalden op dezelfde wijze ingebracht, waarbij de eerste naald als leidraad kan dienen om richting en diepte aan te geven.

Voor de facetgewrichten van C3-C4 tot C6-C7 geldt dezelfde techniek. Voor het facetgewricht C2-C3 geldt een ander targetpunt namelijk ter hoogte van het gewricht C2-C3.

Indien röntgenologisch een optimale anatomische lokalisatie is bereikt, wordt de positie van de naaldpunt bij de mediale tak (medial branch) met behulp van elektrische stimulatie bevestigd. Hiertoe wordt de stimulatiedrempel bepaald: een elektrische stimulatie van 50Hz moet een reactie (tinteling) geven in de nek bij minder dan 0,5V. Vervolgens wordt gestimuleerd met 2Hz. Contracties van de paraspinale spieren kunnen optreden. Spiercontracties in de arm duiden op een positie dicht bij de uittredende segmentale zenuw. De naald dient dan meer posterieur geplaatst te worden. Indien de juiste positie bepaald is wordt 0,5 -1ml lokaal-anestheticum (lidocaïne 1 of 2%) gegeven. Vervolgens wordt een radiofrequente laesie van 80º C gemaakt gedurende 60 seconden.

Complicaties

Complicaties zijn zeldzaam. Men dient er altijd op bedacht te zijn, dat als de naald te ver in het foramen terecht komt (met name aan de anterieure zijde) er een risico is, dat de arteria vertebralis gepuncteerd wordt. Ter verkoming van injectie van het lokaal anestheticum in de intrathecale ruimte dient altijd verificatie van de naaldpunt in AP-doorlichting te gebeuren. Bewaking met saturatie meting en aanwezigheid van resuscitatiemiddelen is noodzakelijk. Infecties zijn beschreven, maar de incidentie is niet bekend en waarschijnlijk erg laag. Regelmatig (>30%) wordt post-operatief enige brandende pijn aangegeven. Deze napijn verdwijnt na 1 tot 3 weken.