Procedure CTS Injecties

Positie en anatomische landmarks

Er wordt of in de carpale tunnel of juist daarvoor ingespoten, 3 tot 4 cm proximaal van de distale polsplooi.

Carp_tun_inj

Procedure

Het gebied wordt aseptisch gemaakt en eventueel steriel afgedekt.

Injectie naald in de tunnel: Hierbij wordt de naald ter plaatse van de distale polsplooi ingebracht aan de ulnaire zijde van de pees van de m. Palmaris longus. De pols wordt in lichte dorsoflexie gehouden. De naald wordt onder een hoek van circa 45° in de richting van de basis van de middelvinger opgeschoven, zodat hij door het retinaculum flexorum heen de carpale tunnel bereikt.

Als de patiënt dan tintelingen in de vingers krijgt, moet de naald worden teruggetrokken en 1 cm meer proximaal opnieuw worden ingevoerd.

Een alternatief is om de naald van meet af aan daar in te voeren, hetzij ulnair van de m. palmaris longus pees, hetzij tussen de pezen van de m. Palmaris longus en de m. Flexor carpi radialis en dan onder een hoek van 30° door te voeren. Wanneer de naaldpunt zich in de carpale tunnel bevindt, en niet in een pees, is er bij inspuiting geen weerstand.

Bij injectie proximaal van de carpale tunnel is het aannemelijk dat er minder kans is op beschadiging van de n. medianus door 3 cm proximaal van de distale polsplooi in te spuiten. De zenuw ligt daar namelijk minder gefixeerd dan in de carpale tunnel. De 3 cm lange naald wordt ingebracht ulnair van de pees van de m. palmaris longus of tussen de pezen van de m. Palmaris longus en de m. Flexor carpi radialis onder een hoek van 10 à 20° in de richting van de derde interossale ruimte.

Vervolgens wordt het lokaal anestethicum en de corticosteroïden ingespoten (2cc).

Complicaties

1. Infectie
2. Bloeding