Procedure Lower End Blokkade

Patiënt moet tijdens de uitvoering van deze techniek adequaat kunnen reageren op aanspreken en vragen. Er moet voldoende verpleegkundige ondersteuning aanwezig zijn om de patiënt in de juiste positie te brengen en houden en om tijdens de behandeling de positie te kunnen veranderen. Alle regels tot het uitvoeren van een strikt aseptische techniek moeten gerespecteerd worden. Een intraveneuze lijn om eventuele medicatie te kunnen toedienen en reanimatie voorzorgen moeten genomen worden.

De laaglumbale rugsegmenten moeten zo veel mogelijk gekyfoseerd worden. Er wordt breed ontsmet en er wordt een steriele gatdoek aangebracht. De huid wordt verdoofd. Er wordt een spinale 22G naald geplaatst in de tussenwervelruimte L5-S1 op een mediaan niveau.
Deze spinale naald wordt voorzichtig doorgeschoven tot er liquor cerebrospinalis verschijnt. Dan wordt de fenoloplossing (6% in glycerine) vers opgetrokken in een 2 ml spuit met een nauwkeurige onderverdeling in volume. De spuit met fenol wordt op de spinale naald geplaatst. Nu moet eerst de positie van de patiënt aangepast worden.

Aan de verpleegkundigen en de patiënt wordt gevraagd om in een hoek van 45° achterover te komen leunen zodat de rug een hoek van 45° maakt met de horizontale lijn. Dit vraagt van de verpleegkundigen een grote inspanning. Nu wordt per 0,2 ml fenol ingespoten in de intrathecale ruimte tot een volume van 1 ml over 5 minuten, waarbij er meteen gestopt wordt met de infiltratie als de patiënt sensibele veranderingen aangeeft in de onderste ledematen of in het zitvlak.

In sommige gevallen moet er doorgespoten worden tot een totaal volume van maximum 1,5 ml. De spinale
naald wordt verwijderd en de patiënt blijft in een achterwaartse positie zitten van 45° voor de komende zes uren. Regelmatig moet de bloeddruk gecontroleerd worden en eventuele lichte vulling is noodzakelijk. Het verloop van de VAS score voor pijn wordt bijgehouden.

Pas in de loop van de volgende dagen kan bij een analgetisch effect van deze behandeling de orale of parenterale pijnstilling gradueel verminderd worden. Deze kunnen echter zelden helemaal gestopt worden omdat bij een succesvolle behandeling vaak andere pijnen nog aan het licht komen.

Complicaties

Verlies van sensibiliteit, soms met dysesthesieën van de onderste ledematen en/of het zitvlak.
Verlies van blaas- of anussfincterfunctie.
Spierzwakte.