Procedure Lumbale Interlaminair Epiduraal Injectie

Deze techniek kan uitgevoerd worden in buikligging, laterale decubitus of zittende houding, bij de 2 laatste technieken telkens met de patiënt in een flexie of "foetus" houding. De zittende houding wordt als het meest comfortabele beschouwd, zowel door de patiënt als door de pijntherapeut. Deze positie laat een correcte beoordeling van de middenlijn toe, en vermijdt de rotatie bij een laterale decubitus houding.

De bepaling van het correcte niveau kan gebeuren op basis van de heupkam of via fluoroscopie. Bij de mediane benadering zal in het midden van de processi spinosi eerst een lokaal anestheticum geïnfiltreerd worden (bv Xylocaïne 1%), met een epidurale naald zal dan achtereenvolgens het subcutaan weefsel en het ligamentum supraspinosum benaderd worden. Deze laatste geeft voldoende weerstand zodat de epidurale naald in positie blijft staan, wanneer men deze loslaat.

Vervolgens komt de naald in het ligamentum interspinosum en ligamentum flavum, die een bijkomende weerstand geven. Mogelijks kan er een vals gevoel van weerstandsverlies optreden bij het binnenkomen in de ruimte tussen ligamentum interspinosum en ligamentum flavum. Deze laatste geeft de grootste weerstand aan de epidurale naald, vermits ze haast volledig is opgebouwd uit elastine vezels. Bij het doorbreken van dit ligament naar de epidurale ruimte toe, zal er dan ook een belangrijk weerstandsverlies optreden. Bij de injectie van medicatie in de epidurale ruimte mag er normaal geen weerstand gevoeld worden, vermits deze gevuld is met vet, bloedvaten, lymfeweefsel en bindweefsel. De epidurale ruimte is 5 tot 6mm breed op het niveau L2-L3 bij een patiënt in flexie houding. Bijkomend kan de injectie van contrast de correcte positionering in de epidurale ruimte verifiëren.

Bij aspiratie van bloed dient de naald geheroriënteerd te worden, bij aspiratie van cerebrospinaal vocht dient de procedure herhaald te worden op een ander niveau. In het laatste geval is een overloop mogelijk van de producten via de durale punctieplaats, waardoor dit met omzicht dient te gebeuren.
Klassiek bestaat een infiltratie uit de injectie van een lokaal anestheticum met een corticosteroïd. Er is een tendens om deze behandeling meer onder fluoroscopie uit te voeren, doch tot op heden werd geen voordeel aangetoond.

Complicaties

De meest frequente bijwerking is een durale punctie (2,5%) al dan niet met een transiënte hoofdpijn (2,3%). Mineure bijwerkingen zoals transiënte toename van klachten of het verschijnen van nieuwe neurologische symptomen meer dan 24 uren na de infiltratie traden op bij 4% van de patiënten, de mediane duur van de klachten bedroeg 3 dagen (1-20 dagen).

Bij een onderzoek naar de bijwerkingen bij 4722 infiltraties met betamethasondipropionaat en betamethasondinatriumfosfaat werden 14 (0,7%) ernstige nevenwerkingen weerhouden (cardiovasculair, gastro-intestinaal, allergie), waarvan 7 aan het product werden toegeschreven.

Meer ernstige complicaties zijn casussen van aseptische meningitis, arachnoïditis en conus medulla ris syndroom, maar dit typisch na multipele accidentele subarachnoïdale injecties. Twee casussen van epidural abces, 1 casus van bacteriële meningitis en 1 casus van aseptische meningitis werden ook vermeld