Elleboog / Pols / Hand

Carpaal Tunnel Syndroom

Definitie

Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) is een neurologische aandoening gekarakteriseerd door paraesthesieën, pijn en doofheid in de hand op basis van een laesie (compressie) en/of dysfunctie van de n. medianus.

Etiologie

In het overgrote deel van de patiënten is er geen duidelijke etiologie voor CTS aan te wijzen. Risicofactoren zijn obesitas, diabetes, zwangerschap, menopauze, ovariëctomie en uterusextirpatie.

Beknelling van de n. medianus in de carpaal tunnel kan ontstaan door oedeem, peesscheden-ontstekingen, tumoren of afzetting van stofwisselingsproducten. Daarnaast kunnen vormveranderingen van de carpaal tunnel aanleiding geven tot een compressie van de n. medianus. Dit treedt op bij osteoarthrosis, reumatoïde artritis, posttraumatisch en acromegalie. Er zou een relatie bestaan van het CTS en "repetitive strain injury" (RSI).

Omdat in het merendeel de etiologie onbekend is, is de pathofysiologie eveneens onduidelijk in deze groep. Ditzelfde geldt voor de hormonale aandoeningen gerelateerd aan CTS zoals hypothyreoidie en gemenopauzeerde patiënten. Bij zwangeren neemt men aan dat vochtretentie aanleiding geeft tot compressieverschijnselen. Bij congenitale en verworven vormveranderingen van de carpaal tunnel leidt dit tot een vernauwing en dientengevolge tot een compressie van de n. medianus.

Klachten/verschijnselen

De symptomen bij een CTS bestaan meestal uit eenzijdige nachtelijke paresthesieën in het huidgebied van n. medianus (Dig. I t/m III en half Dig. IV). Daarnaast kan pijn zowel in de hand, pols als in onderarm ontstaan. Wanneer de patiënt wakker wordt van een CTS, kan wapperen met de hand de klachten verlichten.

Atypische lokalisatie van de tintelingen (ulnarisgebied) komen veelvuldig voor, waarbij het intermitterende karakter, verergerende en ontlastende factoren, de diagnose CTS kunnen ondersteunen. In de meeste gevallen komt het CTS unilateraal voor, maar het kan aan beide zijden voorkomen. Later kunnen de klachten ook overdag plaatsvinden en kan een subjectief krachtsverlies optreden.

Diagnostiek

Lichamelijk onderzoek

Over het algemeen kan de diagnose CTS gesteld worden op basis van het typische klachtenpatroon in de anamnese. Bij lichamelijk onderzoek zijn de gevonden neurologische afwijkingen weinig specifiek. Ditzelfde geldt voor allerlei provocatietesten bij een CTS (Hoffman-Tinel, Phalentest, ect.).

Aanvullend Somatische Diagnostiek

Als aanvullend onderzoek kan een zenuwgeleidingsonderzoek van beide nn. medianus van de patiënt worden verricht. Ultrasonografie en MRI van de pols hebben op dit moment geen aanvullende bijdrage bij CTS. Bij verdenking van een structurele afwijking in de pols kan een X-pols, MRI of ultrasonografie worden overwogen.

Behandeling

Somatische Behandelingen

  • Een groot deel van de patiënten met CTS hebben een goedaardig verloop en/of weinig beperkingen of de klachten verdwijnen na een zwangerschap.
  • De mate van ernst van de klachten en beperkingen bepaalt de keuze van conservatieve of operatieve behandeling. Bij zwangeren is conservatieve behandeling in de vorm van spalken de eerste keuze.
  • Er zijn aanwijzingen dat lokale corticosteroïdeninjecties in vergelijking met operaties op lange termijn minder effectief zijn. Echter operaties hebben een grotere kans op complicaties.

Interventionele pijnbehandeling

Interventionele pijnbehandelingen

  • Bij ernstige klachten en dagelijkse beperkingen heeft chirurgische interventie de voorkeur.